Beste medegelovigen,

Ik herinner mij nog heel goed toen ik voor het eerst solliciteerde naar de functie van onderwijzer op de basisschool in het dorp waar ik ben opgegroeid. De directeur van de school, die mij kende, had mij gewezen op de vacature en mij uitgenodigd te solliciteren. Ik werd tot mijn verbazing niet uitgenodigd voor een gesprek met het schoolbestuur, maar mijn brief werd wel uitgebreid besproken in de bestuursvergadering waar de directeur bij aanwezig was. De volgende dag belde hij me op en vertelde mij dat tijdens de vergadering mijn afkomst, mijn familie tot in drie generaties toe besproken was. Hoe ze waren geweest, met wie ze waren getrouwd, hoe ze zich ontplooid hadden, maar over mij was er niet of nauwelijks gesproken en zeker mijn kwaliteiten en competenties waren niet aan de orde geweest. Blijkbaar was de afweging uit welke familie ik kwam, of daaruit een goede onderwijskracht kon voortkomen, belangrijker dan wie ik zelf was en wat ik voor hen en de school kon betekenen. Was hij niet ooit begonnen op de Lagere Landbouwschool? Had hij net als zijn vader dan geen boer moeten worden? Twijfelden ze er aan of mijn papieren wel in orde waren? Was mijn familiegeschiedenis belangrijk om garant te staan voor mijn deskundigheid als onderwijzer?
De volgende dag kon de directeur mij melden dat ik aangenomen was, maar het was blijkbaar wel belangrijk dat je hele familieverbanden daarbij voor het voetlicht moesten komen. Inmiddels ken ik heel je familiegeschiedenis, zo vertelde hij, die zelf ooit vanuit de Polder naar Twente kwam. Je kunt beter uit een vreemde omgeving komen wanneer je binnen een kleine gemeenschap een min of meer openbare functie bekleedt, je krijgt dan een eerlijker kans. Gelukkig slaagde ik met vlag en wimpel en heb er een fantastische tijd gehad. Zo ging het ook Jezus, toen Hij in zijn vaderstad Nazareth in de synagoge het woord richtte tot zijn plaatsgenoten. Wat verbeeldt die zoon van de timmerman zich wel niet? Waar heeft Hij die wijsheid vandaan, dat Hij tot ons kan spreken?

Misschien herkent u zich ook zelf wel in een dergelijke situatie. Je hebt een goed idee dat je wilt uitwerken binnen je gezin, je familie, op je werk of binnen je dorp of vereniging of misschien wel als gemeenteraadslid in de politiek, een plan dat voor iedereen een verbetering kan opleveren. Het bedrijf, de vereniging, de parochie kan het meer opleveren, kan groeien, de gemeente of dorp kan er wel bij varen. En dan komt er onbegrip, of tegenwerking, of zelfs afgunst, dat ze het je niet gunnen. Je krijgt geen medewerking van je collega’s, van je dorpsgenoten en zelfs in de politiek werkt niet alleen de oppositie tegen je, maar zelfs je eigen partij. Ze geloven er niet in en werpen je voor de voeten: wie denk je niet dat je bent, dat jij het ei van Columbus hebt uitgevonden? Wie denk jij wel niet dat je bent?

We horen vandaag dat Jezus hetzelfde meemaakt in zijn leven. De zoon van een timmerman zou zich moeten bezighouden met het timmerwerk in zijn werkplaats. Hout, zaag, hamer en beitel zou zijn dagelijks gereedschap moeten zijn, maar niet de Thora, de Heilige Schriften. Waar heeft Hij die wijsheid toch vandaan? Nu staat Hij hier in de Synagoge tegenover ons en leest hij ons de les, vertelt Hij hoe wij in het leven dienen te staan. Ja, Hij kan zelfs wonderen verrichten, hebben de samengestroomde dorpelingen gehoord. Dat is toch de zoon van de timmerman, wie denkt hij dat hij wel is, om zo tot ons te spreken? Zo krijgt Jezus in plaats van bijval weerstand en afwijzende reacties van zijn eigen dorpsgenoten.
In plaats van in discussie te gaan met de verontwaardigde mensen, zegt alleen dat Hij niets anders had verwacht. Want een profeet heeft nooit succes in zijn eigen stad, in zijn eigen familie, bij de mensen dicht om hem heen.

Beste mensen, laten we ons niet spiegelen aan de dorpsgenoten van Jezus in Nazareth, want bij hen speelt jaloersheid en zij gunnen het Jezus niet. Laten die gevoelens bij ons niet meespelen wanneer iemand uit ons midden iets voorstelt waaraan wij zelf niet hadden gedacht, wanneer iemand zijn familie overstijgt en zich ontwikkelt op een “hoger” maatschappelijk niveau. Laten we dan niet jaloers zijn, maar trots dat iemand zijn talenten zo gebruikt en ontwikkelt ten behoeve van de medemens en de samenleving. Dat we niet denken: o, hij komt een kleine boerenfamilie, uit een arbeidersgezin, migranten- of bijstandsgezin. Het kan toch niet hij/zij zich zo heeft opgewerkt. Ik kan ervan genieten dat juist kinderen uit arme, sociaal zwakke milieus, zich aan hun milieu ontworstelen en burgemeester worden Rotterdam, voorzitter van de tweede Kamer of professor worden aan de universiteit. Laten we mensen de kans geven om op hun plek te komen en zo hun levensroeping waar kunnen maken in Kerk en samenleving!

Amen.

Tilligte, 7 juli 2018

Pastor Jan Kerkhof Jonkman